Interview met Dhr. Frits Wehrens

Afgenomen door Dhr. J Bronneberg mei 1990

Uitgetypt door Marijke Geilen-van Wesel sept 1998

 

 

Dhr. Frits wehrens

Dhr. J. Bronnenberg

Audio-speler: Zoek hier een specifiek fragment terug

 


Een kind is gestorven aan de ‘begaoving’ ( de stuipen), zeiden U weet niet wat dat is he.

Dat is he.. Ja, hoe noemen ze dat nou in het Nederlands, ‘begaovingen. Dat is een soort hersenbloeding of zoiets is dat, moet dat zijn en dan gaan ze dood he, als ze klein zijn. Dat gebeurde vroeger heel veel he. Dat gebeurt nu niet meer. Ja, daar lag het dood in de wei. Maar ja, hoe en wat hebben ze nooit, volgens mij niet achterhaald. Maar nou weten ze alles he, ja , tenminste heel veel.

Het gezin bestond uit een meisje; ik zal ze allemaal achter elkaar noemen zoals ze zijn gekomen Dat was een broer, toen is een zus geboren, toen kwam mijn zuster en dan kwam nog een broer en dan kwam ik en dan kwam de kleinste die gestorven is , die heb ik nooit gekend. Jullie waren met zes ? Ja, met vier kinderen en de vader en de moeder.

Maar, die stierf in 15, toen was hij 37jaar. Ik heb hem nooit gekend, maar ik was toen om trammelant te voorkomen en ook al om …bij de grootmoeder en dat was in Holtum. Weet u waar Holtum ligt? Ja, ja.

En dat was de familie Stoffels, een heel bekende familie is dat.

En mijn moeder is van 13 jaar weggeweest. Uit het huis he maar ze heeft meestal in Sittard gewoond , bij een grote familie in een winkel, en vroeger at het personeel mee, dat zat allemaal achter de grote tafel dat was de familie Zwakhoven, een bekende familie. Enfin, daar kan ik nog veel over vertellen, maar daar hebben we niets aan. Dat gaat het niet om. Daar is ze geweest. Daar kookte ze meestal, anders deed die niets, in de keuken, anders deed die niets, daar waren anderen om te werken.

Ja, dat was het gezin. Maar we hadden geen opa of oma in huis, die woonde ernaast, mijn opa. Die is 85 geworden.

U bent toch geboren in Leyenbroek he?

In Leyenbroek ja. Dat was gemeente Sittard, he.

Maar we kwamen in Sittard naar de school en naar de kerk, gevormd en alles want in Leyenbroek was geen kerk, een klein kapelletje was daar, van de paters. Die noemden ze de ‘knoesen’. Dat was een scheldnaam he, dat waren Duitsers.

Die waren niet echt populair als ik dat zo…

Ja, populair, ik weet het niet. Dat zeiden ze gewoon, ‘knoesen’

Weet u wat dat betekent. Nee he. ‘een knoes’ Een stugge, zo’n echte ‘vreet-op’ zo,n knoes , iemand. Ja dat waren Pruisen , een ander soort als wij. Die gingen altijd voetballen, op het Hetje, op de zand. Dat was geen voetbalterrein. Dat was maar zo’n plaats Daar gingen we natuurlijk ook eens kijken. De bal halen als ze hem te ver weg stampten.

Maar daar heb ik toch 12 jaar gewoond. Toen kwamen we naar Sittard. Maar dat had ook een oorzaak dat we naar Sittard kwamen. Want daar waren lui

Mijn vader was dood dus, toen ik vier jaar was. Voor die tijd was ik bij oma. Daar ben ik zeven maanden geweest. Dat kan ik me nog herinneren, maar anders niks meer. Die was ook weduwe.

Die had allemaal, die had twee meisjes en een stuk of 4, 5 jongens.

Dat waren allemaal bomen van kerels.

Enfin, toen zijn we naar Sittard gekomen, maar dat had een oorzaak. We woonden in een huis, eerst in klein hutje onder in de straat .

Toen zijn we verhuisd , boven in de straat, aan de grote weg. Dat ligt nog daar. Daar hebben ze later een café aangebouwd, waar de hof van ons was.

Dat was een oom van ons, Merkelbach en dat waren broer en zus bij elkaar. Maar die zus dat was een satan eerste klas.

En die speelde bij ons de baas, bij de Mam, maar de Mam wou dat niet. Dat was een zelfstandige vrouw he. Dan moesten ze binden en dan hadden ze het (koren) af en dan moest gebonden worden he, maar mijn Mam had daar geen tijd voor.

Mijn Mam deed huiswerk, daar was anders niets dan een was doen voor de mensen om aan de kost te komen.

Je kon nergens de hand gaan ophouden en je kreeg ook geen steun van de bank. Dat zetten ze nu op de bank. Nu hoef je niet te lopen darvoor. Maar dat was toen niet.

En weduwepensioen krijg je nu. Wat zegt u? Weduwepensioen zou je nu krijgen.

Dat was er toen ook nog niet. Toen was geen weduwepensioen. Toen was er niets. Als je niets had moest je maar zien dat je aan kwam. En daar was maar een middel…want de familie hield zich altijd ver als ze wat hebben he. Want dan menen ze dat ze bij moeten springen. Maar de Mam is altijd zelfstandig geweest. Ik ben ook nooit zo’n familieman geweest, we gingen wel eens vaker naar de grootmoeder. En toen kwam de oorlog nog later, dat is dan deze oorlog en toen was alles weg, toen had je helemaal geen contact meer. Toen ben ik nog wel eens naar familie geweest maar ik was zo’n familieman niet. Daar was geen een die de Mam eens een keer steunde. En toen hebben we nog een laten overkomen, een broer, na de oorlog. Die zaten daar honger te lijden in Duitsland. En toen hij nog een tijdje bij ons gewoond tot hij een huis had en toen zat hij ook goed. Maar daar was ook geen dankbaarheid van te verwachten, zoals dat altijd gaat.

Enfin, toen zijn we naar Sittard gekomen. Maar ik heb de jeugd tot 12 jaar in doorgebracht Leyenbroek en in Sittard gingen we naar school. En ik weet de weg nog, langs Lejeune, door het Neilesgätske. Kwamen we door de Baenje. We hadden drie wegen eigenlijk, een door het broek waar de roeivijver is, maar die was er vroeger niet; dat was een moeraskamp. Daar wisten we de weg want anders zakte je zo diep de modder in. Een weg ging door langs het Casino, en dan kwamen we in de Baenje uit, waar die school ligt daar. Dan kwamen we boven aan uit, dat waren oude huizen, daar hebben families gewoond hun hele leven tot ze afgebroken werden. En dat is dan na deze oorlog geweest , toen hebben ze dat allemaal afgebroken ook die nieuwe die ze bij gebouwd hadden. Daar was vroeger de vuilnisbelt zal ik maar zeggen en daar hebben ze daar huizen opgebouwd en dat was die straat. Maar die straat is nu veel groter, dat was vroeger geen straat. Dat was maar zo’n weggetje. Hier de Engelenkampstraat.

Daar stonden vroeger die vakwerkhuisjes staan die we in het fotoboek zagen.

Nee, daar stonden geen vakwerkhuisjes, die stonden ergens anders, die stonden in de Neilesgätske. Dat is de Rosmolenstraat, die hebben ze nu die naam aan de nieuwe gegeven. Dat is de Rosmolenstraat. Maar die oude, dat was maar een gats. Aan de ene kant lagen die ouderwetse vakwerkhuisjes en aan de andere kant was de muur van het klooster dat toen was Dat was vroeger wat anders. Dat hebben die toen gekocht en toen een klooster van gemaakt in de Plakstraat. Maar die vakwerkhuisjes die gerestaureerd zijn, die liggen in de Gruizenstraat. Dat is hierdoor af, rechtdoor daar waar die rode auto staat, voor die straat, dat is de Gruizenstraat. Maar daar hebben ze alles afgebroken, ook dat huis, dat bijeenkomsthuis van de protestanten, naast de kerk, dat hebben ze later gebouwd he. Dat hebben ze ook afgebroken. De concistorie noemen ze dat he.

Maar in elk geval, wij kwamen naar Sittard naar de school. En dan was dat meestal, als het zo’n weer was als nu, dan werden de klompen uit gedaan, later de schoenen.

Wij hadden het eerst van allen schoenen, maar mijn moeder was dat moe, altijd die klompen kapot. Want dan kreeg je en dan kreeg je ze op de klompen.

En ander die sloeg op je

Of je was aan vechten met anderen en dan sloeg je ze ook kapot.

En dan was ze dat moe. En dan moest ze maar liggen te prutsen.

Ze moest van alles doen he. ’s Zondags maakte ze altijd de kleren in orde.

Ze ging niet kletsen langs de huizen. Dat deed ze niet he. Dat wilden ze wel, maar dat deed ze niet. Nee, zei ze ‘ ik zorg dat mijn kinderen, de kleren in orde hebben en fatsoenlijk naar school kunnen gaan.’

Maar tot 12 jaar in Leyenbroek lagen we altijd op de boerderij. We kwamen ook op de Watersley. Dat was een zekere Coumans die hadden vijf zonen. Of ze meisjes hadden dat weet ik nou niet nee. Dat is daar waar dat ding nou ligt, dat klooster. En waar die halve garen allemaal zitten. Hoe heet het, de st. Paulus stichting. De St.Paulus stichting is dat ja. Dat was vroeger veel kleiner. Dat was allemaal nog niet gebouwd he. Daar is ook nog eens een verdieping op gezet.

Hebben later duitse paters gezeten. Maar dat was wat van de regering hadden ze daar een man zitten he. Die hier moest bekijken of alles goed draaide, voordat wij bij Nederland waren. Maar daar gingen wij naartoe. En die. Als jij 9 jaar was zetten ze je aan het werk he. Stal uitmesten, Stro afgooien, met balen slepen. ja daar kon je ook eten daar ’s avonds. Ik dat eens tegen de radio gezegt. De radio Zuid of hoe dat toen heette he. ROZ. Maar die man deed het verkeerd, die had daar moeten zitten. Dan maakten we gewoon een praatje. En die zat naast mij met dat ding. Dat was niet goed. Dat heb ik hem later ook gezegd. Dan ben je niet zo vrij om te spreken. Je moet iemand hebben waartegen je het verteld. Enfin. En zo was dat eh bij een familie Janssen. Dat was een weduwe vrouw die had jongens en twee meisjes en die deden die boerderij. Dat was op de molenweg, dat heet nu de kapellerweg. Dan kom je aan de St. Rosa kapel uit. En dan was dat bij Merkelbach. Daar lag ik veel. En dat was een houtbewerker, timmerman en hij kon ook een molen maken. Dat kon hij ook. Jo d’n Jo was dat. En daar lag ik altijd en daardoor ben ik in dat vak gegaan.

Ja ja.

Terwijl mijn moeder een ander inzicht had in die tijd. Toen was ik een jaar op die school. Toen zij ze weet je wil je niet elektricien gaan worden? Dat is een beter vak was dat ook. Ik ben nu een jaar aan de gang. En het was een fijne leraar, eh Schrewer heette hij, zo een vakman. En he. Dat was vroeger niet dat ze een diploma moest hebben en zo iets. Als ze het vak kenden dan konden ze daar leraar worden. Maar dat is nu niet meer. Dat is nu heel anders. Nu kunnen ze niets. Wel veel papieren hebben ze. Maar kunnen doen ze niks. Maar in alle geval. Toen ben ik daar gebleven. En daar heb ik het uitgewerkt. Totdat ik gediplomeerd was en zo dan. En in die crisisjaren heb ik altijd werkt gehad. Ik ben nooit een dag werkeloos geweest. Maar dat was ook omdat ik het goed kon. En dat ik opgeleid was. Maar je krijgt.. Ik heb alles geprobeert om het land uit te komen, maar dat ging niet in de dertiger jaren. Daar heeft u wel eens van gehoord, jazeker, maar niet meegemaakt. Dat was erger dan nu, du. We hebben een broer die was zes jaren werkeloos. Maar ja. Maar bij de boeren moesten we mee werken. Dat deden we graag he. Stal uitmesten. Ook daar bij Merkelbach. Daar moest ik altijd de koeienstal uitmesten. Dat trok je over de leuf heen. Dat is die verhoging weet je wel waar ze over lopen. De leuf, de loopgang he. En dan op de mesthoop ermee he. Zo was dat vroeger he. Dat lag allemaal voor het huis he. Op Lahr hebben ze dat veranderd daar is de mesthoop weg he. Daar was ene mestpoel he, daar was.., en dan kwamen die vliegen met duizenden vliegen binnen he, dat was me toch wat. En dat is nu achter de schuren ligt dat. En de stal daar hebben ze nu putten gemaakt. Daar gaat die mest allemaal in he. Kreeg u daarvoor betaald voor dat werk? Ben je gek! Weet je wat je daar voor kreeg? Een schmoor.., een schmoor. Dan reten ze je zo’n pratsch gereden brood af, zo dik. Met zo’n ding hadden ze om de armen, anders konden ze dat brood niet snijden dat was hard en dan waren dat ronde broden, zo groot. En dan had je dan een snee uit het midden die waren zo lang, die kon je zó eten.

Zo lang waren die. En dan kreeg je daar kaas op en stroop. Ja, en dan was het goed. Dat was de beloning. Want betalen!, mijn lieve God nog geen dubbeltje kreeg je. Nu krijgen ze allemaal zoveel gulden. Dat was toen allemaal niet. Dan kon je blij zijn. Niet dat we die boterham moesten hebben, of dat we ons die vroegen, nee. We aten daar ook mee aan de tafel. Zo een groot bord was dat, zo’n schotel. En dan werd daar uiensaus met aardappelen en vlees en dan zaten ze daar allemaal aan te eten, ook die mensen zelf. Daar moest je mee aan eten he.

Ook als kind zijnde dan mocht je ook gewoon aan tafel…?

Ja, bij elkaar zeg maar aan de tafel, dan reikte je maar naar de grote kom en dan eette je maar zo, ja. En dan kreeg je een bak koffie, geen kopje, een bak. Dat is zonder oren he. Dat zij zo’n bakjes. Ja je hebt ook grote, maar dat was dan zo ene he. En daar werd dan koffie ingeschud. En die koffie dat was dan meestal. Zo’n ronde bolketel he en dan eh ja en bij deze een dure wel. En dan werd er koffie op gedaan, gemalen. Je moest malen he, want er was geen koffiemolen, zoals nu. Dat heeft het koffieverbruik eens zoveel gemaakt Dat ze die molen hadden, dan gingen ze niet meer malen. Dan hadden geen zin in koffie. En dan werd dat ingeschud en dan kokend water erop. Maar er waren er veel die zeiden dan nou, de koffie is op en morgen vroeg moeten we weer nieuwe maken. Maar dan schudden ze daar wat bij, opnieuw koffie gemalen en dan werd daar weer kokend water opgeschud, bij die oude droselen, Droselen zeggen ze daartegen. En dan was dat zo hoog in die pot was dat oude drek he. Dat bruinde ook nog he. En dan werd dat eens weggegooid, als dat te zeer vochtig was. Zo ging dat vroeger he . Maar eerder werd daar niet naar gevraagd he. Ja. En toen zijn we omdat de moeder, dan of de mam, vroeger zeiden we mem he, nu zeiden we mam, dat was een beetje deftiger in de stad, want als je daar mem zij dan lachten ze je uit.

Heeft u dat trouwens ook gehoord dat wanneer je van de lagere school ging en je kwam op de klompen aan , dat er in de stad een beetje naar gekeken werd. Daar heb je die met de klompen die komen uit het dorp he.

Ja, dan was je een boer. En he, daar heb ik eens over willen schrijven he van dorpsleven naar stadsleven. Ik heb ook al iets opgeschreven over hoe ik het zou laten lopen, maar ik heb nooit geen tijd gehad. Nu is die ene zoon namelijk die zij pap je moet eens wat op gaan schrijven later weet geen ene meer iets over het vak. Daar hebben ze me ook al voor gevraagd he. Om te schrijven in een vakblad. Ja en dan moet ik he. Ik wil niet meer moeten. Daar krijg je toch niets voor. Maar ik doe toch zo nu en dan wat. En ja als je wat kan dan heb je niet veel tijd he , maar die veel tijd hebben die kunnen meestal niets, en die schrijven, die schrijven. Wel fout, maar dat speelt geen rol he. Dat heb ik al zo vaak meegemaakt in die vakboeken. Zeg wat staat daar nu voor een onzin, ja. Dat zijn ook mensen die hebben tijd zat en die hebben een diploma, die hebben dan aan een school en die kunnen niet veel van het vak dus, en die schrijven dan he. Maar een man die altijd gewerkt heeft die schrijft niet gauw he. De meesten kunnen dat niet eens. Maar ik doe dat nog al graag.

Maar hoe ging die overgang van dorp naar stad?

Ja dat wou ik beschreven hebben he, hoe dat allemaal gaat als je dan in de stad komt hoe dat dan gaat he. Maar ja dat is nog al goed gegaan. Maar toen ben ik jarenlang versleten als een boer. Je kwam niet gauw ergens tussen he. Alhoewel ik een geweldige jeugd heb gehad in Sittard ook, ook in Leijenbroek. Als je een appel moest hebben dat was een kleinigheid, er waren er toch genoeg of een peer. En als je in het veld was he, als we op het Hetje waren geweest, dan werd er een raap uitgetrokken. U weet die zijn bovenaan blauw daaronder zijn ze wit voor zower ze in de grond staan. Of een koolraap, een kolderaap zeiden wij, dat was een knol raap. En vroeger werden die met kunstmest gejaagd. Die waren lekker. Moeder kookte die altijd met melksaus, die waren heerlijk. Ik kook ze ook aan tafel dus, maar die smaken niet meer zoals vroeger. En dan wisten we nog precies waar rauwe wortels stonden. Die verstopten ze altijd he, tussen de bieten in ofzoiets he. Maar we wisten dat precies waar die stonden. En dan werden de rauwe wortels uigetrokken. En dan werd dat buitenste ervan afgescheurd met de tanden. En dan bleef dat pit binnen dat hart bleef over dat was lekkerder meenden wij. Dat werd dan opgegeten. Zo ging dat. We waren echte natuurmensen, we wisten ook alles he. Tja..,

 


Hoofd PaginaTerug