Stichting Charles Beltjens

 

Stichting Charles Beltjens
Sittard.
p.a. Koningsberg 17
6129 AT Urmond

Een korte historische terugblik

Harry Strijkers

Ontmoeting

In het najaar van 1982 ontmoetten Jos Daniels uit Sittard en Harry Strijkers uit Berg aan de Maas elkaar tijdens een bezoek aan het Sittardse gemeente-archief. Onderwerp van gesprek was het leveren van materiaal voor een mogelijk artikel in de destijds succesvolle rubriek 'Zwerftochten door het Maaslands Verleden', van Harry Strijkers in het weekblad 'De Trompetter.'
Het door Jos Daniels verzameld materiaal over de Sittardse dokter Henri Daniels uit de vorige eeuw en diens rol in de bestrijding van de kinderpokken werd niet in bovenstaande rubriek gepubliceerd. Besloten werd samen een uitgebreid artikel te schrijven ten behoeve van het Historisch jaarboek voor het Land van Zwentibold. Dit was het begin van een vruchtbare samenwerking, die hierna nog tot verschillende co-producties heeft geleid.

Oprichting

In die periode werd gaandeweg besloten een stichting in het leven te roepen met als voornaamste doel uitgaven in kleinere oplagen over geschiedenis, volkskunde en cultuur in Limburg mogelijk te maken.
Gezamenlijk togen Daniels en Strijkers naar notaris Wanders in Geleen en legden hem hun plannen voor. Het resultaat was dat op 23 juni 1987 door notaris Wanders de stichtingsakte werd verleden ten huize van Jos Daniels. De Stichting kreeg de naam van de Sittardse dichter Charles Beltjens, een idee van Hein Bovendeaard. Voorzitter van de stichting Charles Beltjens werd Jos Daniels, Harry Strijkers werd secretaris-penningmeester en Joost Bontje uit Grevenbicht bestuurslid

Uitgaven

Met veel enthousiasme begon de nieuwe stichting aan het realiseren van haar doelstelling. In de begintijd werden veel werkzaamheden die voorafgaan aan de drukgang, waaronder de lay-out, in eigen beheer uitgevoerd. Op deze manier werden de kosten laag gehouden. Binnen enkele maanden was men reeds in staat het eerste boek uit geven, dat binnen de kortst mogelijke tijd was uitverkocht.
Het was het begin van een drukke en enerverende tijd voor de stichting. Binnen een jaar zagen acht uitgaven over verschillende onderwerpen het licht.
De stichting werd niet lang na haar oprichting versterkt door de toetreding van mr. Hans Wanders en drs. Guus Janssen als bestuursleden.

Herdenking

Omdat de naamdrager van de stichting, Charles Beltjens, in 1990 honderd jaar geleden was overleden, werd het plan opgevat een standbeeld voor Charles Beltjens op te richten. Ook de uitgave van een boek over de dichter met zijn in het Frans geschreven verzameld werk was een van de plannen. Hiervoor werd door Jos Daniels een speciaal erecomité geformeerd om de benodigde gelden bij elkaar te krijgen. Hij was de gangmaker en drijvende kracht achter dit project.
Door zijn volkomen onverwacht overlijden op 10 januari 1989 verloor de stichting een van haar oprichters en de grote stimulator voor de realisering van de herdenking van Charles Beltjens in 1990.
Het duurde een hele tijd voordat de door Jos Daniels aangezette projecten hun vervolg kregen. Nagenoeg op eigen kracht is het de stichting uiteindelijk gelukt om de financiering van het gedenkteken Charles Beltjens rond te krijgen.
Guus Janssen werd de nieuwe voorzitter. Medeoprichter Joost Bontje zag zich door drukke zakelijke beslommeringen genoodzaakt uit het bestuur te treden. Math Vleeshouwers uit Munstergeleen en Theo Oberdorf uit Sittard kwamen de gelederen versterken.

Literaire avond

Alhoewel zijn borstbeeld er nog niet was, werd de honderdste sterfdag van Charles Beltjens niet vergeten. Dit gebeurde tijdens een literaire avond op 21 juni 1990 in de aula van de Sittardse openbare bibliotheek. Na een welkomstwoord en toelichting over de verdere plannen van de stichting door voorzitter Janssen, lichtte drs. G. Theunissen het educatief onderwijsproject Charles Beltjens toe. Een cultuurhistorische en biografische inleiding werd verzorgd door dr. P. Nissen. Het was prof. dr. W. Kusters die enkele aspecten van het werk van Charles Beltjens belichtte.

Hommage

Medeoprichter en eerste voorzitter van de stichting Charles Beltjens, wijlen Jos Daniels, werd herdacht met de uitgave van een boekwerk als hommage voor zijn verdiensten voor de stichting en de streekgeschiedenis. Het eerste exemplaar van dit postuum Liber Amicorum werd op 28 november 1990 overhandigd aan zijn weduwe Tonny Daniels-van Kessel.

Productie

In de loop der jaren zijn de boekuitgaven van de stichting als het ware van de lopende band gerold. Deze boekwerken worden gekenmerkt door een grote diversiteit aan onderwerpen.
Het eerste lustrum van de stichting werd in 1992 in besloten kring gevierd.
Beeldhouwer Gjus Roebroek is de ontwerper van een monument voor Charles Beltjens, dat een plaats heeft gekregen in de stadstuin tegenover het gebouw van de Katholieke Leergangen, door de stichting gedoopt tot 'Jardin d'lsabelle'.
Op zaterdag 28 januari 1995 werd dit monument onthuld door burgemeester J. Tonnaer van Sittard onder de toeziende ogen van genodigden en belangstellenden.
Van tevoren had voorzitter Guus Janssen het eerste exemplaar van het verzameld werk van Charles Beltjens overhandigd aan burgemeester Tonnaer.
Math Vleeshouwers, bestuurslid van de stichting, hield na terugkomst van de onthulling in 'Hotel de Limbourg' een korte toespraak, die in deze brochure is afgedrukt

Entree

Wiel Kusters

De bomen van Beltjens

Nummer 28 is een Chinees restaurant.

Ik heb gehoord, zeg ik, dat u zo'n mooie tuin hebt. 'Aan de Markt, achter nummer 28, bevindt zich een grote tuin, die zijn negentiende eeuwse karakter vrijwel onveranderd heeft bewaard'. Mag ik hem eens zien? De vrouw achter het buffet herhaalt mijn woorden. Tuin, mooie tuin. Het klinkt als een vraag. De Chinees aan het tafeltje bij het aquarium komt overeind en loopt achter mij heen en weer. Geërgerd. Er zijn geen gasten. Mooie tuin? vraagt de Chinese. Ze weet wat ik bedoel, maar begrijpt niet wat ik wil. Ik ben niet in orde, ik zie het aan haar ogen. Als ik naar buiten loop, hoor ik hoe iemand met een luide tik het luikje van de keuken openschuift.

Via een gangetje langs de kerk bereik ik het restant van een stadswal, achter de huizen. De tuin van het restaurant blijkt van hier uit toegankelijk. Er is een poort, maar die staat open. Ik had een gesloten tuin verwacht. Beltjens' tijd is voorgoed voorbij. Of maakt dit feit nu juist een toegang mogelijk? Het voorbije verwildert. We lopen er, eerder dan we dachten, zelf verwilderend, in en uit.
Charles Beltjens werd in 1832 geboren, in Sittard. Het huis en de door mij gezochte tuin, heeft hij tamelijk goed gekend. Hier woonde in zijn tijd F.C. de Borman, geneesheer. Een kunstlievende verzamelaar van artistieke gasten. Beltjens kwam in zijn cercle terecht als violist en dichter. Zijn verzen schreef hij in het Frans. Hij werd verliefd op de jongste der dochters De Borman, Isabelle, en had met haar menige ontmoeting in de tuin, waar ze hem opwachtte bij het poortje dat via de wal toegang bood (en dat dus wel een heel erg vrouwelijk poortje was). Veel meer is ons niet bekend van Beltiens' omgang met dit meisje. Zeker is wel, dat hij op zekere dag naar Brussel vertrok, waar hij bittere verzen schreef.
Pas in 1872 keerde hij naar Sittard terug. Dagelijks was hij sindsdien te vinden in het café van 'Vatter' Schiffelers, drinkend, schrijvend, discussiërend. Onder veel meer publiceert hij in 1881 in Parijs zijn lange gedicht Nox. Hij verlangt naar verlossing uit de 'Y-grec inexplicable'.
Een huiveringwekkende formulering: het leven als vreemde letter, knellend benenpaar van een succubus.
In de carnavalskrant begint men, naarmate hij ouder wordt, de spot met hem te drijven. De leerlingen van het jezuïetencollege noemen hem Rinaldo Rinaldini. In 1891, het jaar na zijn overlijden, wordt hij in de Revue Belge herdacht met de publicatie van zijn gedicht Lamento en een prijzend memento van Alfred de Vigny.
Ik loop de tuin van De Borman in. Geen gras, geen planten of struiken. Wel bomen. Voorin, bij de keuken van het restaurant, liggen grote lege voedselblikken. Ik draai me om en loop langzaam achteruit. Ik zie de bomen van Beltjens, rechtop in hun windloze tijd. Et l'espace et le temps ne peuvent rien sur nous. Al jaagt een ventilator ons vette walmen door de kruin.

 

Onthulling monument Beltjens in de Jardin d'lsabelle

Math Vleeshouwers

In de literatuur en film treffen we vaak een hoofdpersoon aan, die zich verzet tegen de gangbare opvattingen en zijn eigen principes wil vormgeven. Hij wil anderen ervan overtuigen dat zijn ideaal waard is om verwezenlijkt te worden. Zo'n personage heeft meestal de sympathie van de lezer of kijker. Een held van papier of celluloid is evenwel ongevaarlijk. Maar degenen die in werkelijkheid met zo'n sterke persoonlijkheid te maken krijgen, vinden dat lastig. Met onconventionele middelen neemt hij de strijd op tegen notabelen, probeert hun ongelijk aan te tonen en knabbelt dus aan hun machtspositie.
Door het arsenaal aan machtsmiddelen slaagt men er vaak in de vrijbuiter uit te schakelen of monddood te maken en gaat de held roemloos ten onder. Hij begraaft zijn idealisme of hij blijft vanuit de ongevaarlijke zijlinie giftige pijlen afvuren op zijn niet begrijpende belagers. Een andere reactie kan zijn, dat hij zich vleugellam gemaakt voelt en dat hij een andere stek kiest om opnieuw te beginnen.
Charles Beltjens was ook zo'n extravagant Sittardenaar die de stad die hem had willen kooien, verliet. Hij was in 1832 geboren in de Limbrichterstraat. In de stadsschool van Pothast in de Plakstraat leerde hij lezen en schrijven. Zijn ouders lieten hem 1842-1843 de opleiding afronden met een studiejaar aan het particuliere College Henssen (de opvolger van Kallen), dat gevestigd was in de linkervleugel van het voormalige dominicanenklooster. Dat vonden meer vooraanstaande Sittardse ouders van belang voor de opvoeding. Na zijn studie aan het franstalige internaat te Rolduc in 1849 werkte hij enkele jaren in Leuven. Toen hij weer in Sittard kwam wonen, waagde hij het verliefd te worden op Isabelle de Borman (*1833), de dochter van de rijke arts Francois de Borman, in wiens tuin we hier staan. Beltjens was via het vioolspel in het artistieke milieu van de arts terecht gekomen en droeg er zijn Franse verzen voor. Maar toen duidelijk werd dat Charles een oogje had op de dochter, verbood haar vader haar de omgang met Charles, die in Sittard als een bohemien werd gezien. Deze voelde zich afgewezen. Hij vertrok daarop naar Brussel en vervolgens naar Frankrijk waar hij bittere verzen schreef en publiceerde, o.a. in Parijs en in Nice. Pas in 1872 keerde hij in Sittard terug. Sittard was echter een kneuterig provinciestadje waar men Beltjens wantrouwde om zijn te liberale ideeën. De carnavalskrant dreef zelfs de spot met hem.
In Parijs was hij in aanraking gekomen met de grote Franse romantici, met de Parnassiens. Zijn condorgedicht heeft relaties met de poëzie van Baudelaire en Leconte de Lisle. Beltjens had in de Franse hoofdstad gewandeld in de Jardin des Plantes. Een kreet van een wanhopige, gekooide condor die aan zijn gevangenis trachtte te ontkomen, inspireerde hem voor het kenmerkende gedicht Le Condor captif.
Hij voelde zich duidelijk verwant aan deze gekooide gier, die thuis hoorde in de Andes, maar in Parijs werd vastgehouden. Hij beschrijft hoe een schip uit Zuid-Amerika een naburige haven binnenloopt. De wind voert de geur in de richting van de condor, die daardoor onrustig wordt. Een rilling gaat door hem heen en zijn vrijheidsdrang wordt weer gevoed. In zijn kooi voelt hij zich nog niet verslagen, hij zal terugkeren naar zijn land; de gevangenschap heeft hem niet volledig murw is
gemaakt. Maar als zijn worsteling terwille van de vrijheid begint, blijken zijn sterke vleugels niet machtig genoeg. Uitgeput ligt de vogel tenslotte met kapotgeslagen vleugels in de kooi. De omstanders amuseren zich met zijn lot en juichen zelfs als hij de strijd verliest. De eens zo trotse condor moet zich schikken in zijn gevangenschap. In 1870 werd het gedicht geschreven en in 1884 in Nice en in 1885 in Sittard bij drukker Tholen gepubliceerd.

Beltjens zag de condor ook als de menselijke geest die streeft naar hogere idealen, maar daarbij machteloos is, als hij door anderen beperkt wordt. De Sittardenaar die omwille van een verboden liefde en een levensvisie die het Sittardse provincialisme oversteeg, de stad had verlaten, was eveneens gekooid. Hij voelde zich als de condor, die gedwongen was om de Sittardse horst te ontvluchten. In zijn werk is een onderhuids hoorbare melancholie voelbaar, een sombere ondertoon, tekenend voor de afgewezen talentvolle dichter, de creatieve geest, die werd miskend en verwaarloosd door zijn eng denkende stadgenoten.

Charles Beltjens in brons

Beltjens naam is in Sittard wel bekend, maar zijn dichtwerk wordt niet gelezen. Tot vandaag bestond er zelfs geen uitgave van zijn volledige werk. De Stichting die zijn naam draagt heeft hierin nu voorzien met de fraaie uitgave van de verzamelde gedichten 'Poésies'.

Al in 1891 is een comité aan het werk geweest om een beeld voor Beltjens op te richten, maar dat is niet gelukt. In 1940 is er nog eens voor gepleit. Een serieuze volgende poging is ondernomen door de pas opgerichte Stichting Charles Beltjens in 1988. Maar ten gevolge van de plotselinge dood van voorzitter en initiatiefnemer Jos Daniëls in januari 1989 moesten de plannen terzijde geschoven worden. De derde poging is nu echter gelukt, met medewerking van de gemeente Sittard en het provinciaal bestuur. Een eeuw na Beltjens overlijden kreeg de Sittardse beeldhouwer Gjus Roebroek opdracht om een monument voor Beltjens te vervaardigen.

De bronzen buste van (de dichter die we hier zien wordt getorst door een sokkel die de beeldhouwer heeft vormgegeven als de opengebroken kooi van de gevangen condor. De hardgranieten basis met de daaruit oprijzende bronzen stroken die in het borstbeeld overgaan, suggereren die kooi, zijn eigen Sittardse gevangenis. Hij breekt die open om de vrijheid te krijgen die de gevangen condor niet gegeven was. De poëzie heeft de dichter de mogelijkheid geboden om te ontsnappen aan zijn gevangenschap.

Dat dit monument een plaats gekregen heeft op dezelfde plek, waar Beltjens zijn geliefde Isabelle, zijn Aurore, ontmoette maar waar hij zich ook bewust werd van de onmogelijkheid van zijn liefde, geeft aan dit Beltjensmonument een extra dimensie. Op dit stille plekje staat dit fraaie monument als een uitnodiging om hier plaats te nemen, zich in stilte terug te trekken en er bijvoorbeeld boeken en gedichten te lezen. Hier is ook de juiste ambiance om er kleine evenementen met poëzie of muziekuitvoeringen met een kleine bezetting te organiseren, of om toespraken te houden.

Daardoor wordt dit monument een waar gedenkteken, want dat is immers de eigenlijk functie van een monument, een woord dat afgeleid is van 'monere' en dat betekent herinneren, maar ook vermanen, waarschuwen. Het zal de Sittardenaar telkens moeten herinneren aan dat verleden van die stad, die de vrije geest beperkte, die geen ruimte gaf en vleugellam maakte, een stad die nog lang geen paradijs was, een stad die ook zijn liefde onmogelijk maakte.
Daarnaar verwijzen ook de twee citaatregels op de twee driehoekvormige stenen in de grondcirkel: uit het gedicht 'Aurore' is de regel die verwijst naar de liefde als zijn levensdageraad, de verfrissende lente van zijn gedachte:

'toi je songe, á toi, majeune fiancée,
Aurore de mesjours, printemps de ma pensée.'

De slotregels uit Le condor captif verwijzen naar de gekortwiekte vrijheid en de onmogelijkheid om paradijselijke verten te bereiken:

'C'est toi qui veux rouvrir ta grande ailé captive,
O souvenir, oiseau des paradis Perdus!'

Beltjens, als kunstenaar niet begrepen, als Sittardenaar te laat geëerd. Monument en Verzamelde gedichten, opgericht en uitgegeven dankzij de stichting die zijn naam draagt, vormen een eerherstel.

zaterdag 28 januari 1995.

 

Uitgaven Stichting Charles Beltjens

Guus Janssen


Hoofd Pagina Hoofd Pagina